Het leven van een visser

21 jan 2026

Het leven van een hoekwantvisser (toeker) verteld door Jan Jobse Tol

 

Ik ben het tiende kind van een gezin van elf kinderen. Mijn vader, Jan Tol, bijgenaamd Jan van de Knoest, (1903-1989) was visserman vanaf zijn twaalfde jaar op de Zuiderzee.  Na de afsluiting van de Zuiderzee in 1932 was hij visserman op het IJsselmeer. De eerste jaren van zijn werkzame leven is mijn vader drie jaar lang zeeziek geweest. Maar denk  niet dat zeeziek zijn een reden was om te mogen stoppen met vissen. Dat kon je uit je hoofd zetten. Er was in feite geen andere mogelijkheid. Er was weinig ander werk. Scholing of beroepskeuze was voor vader niet mogelijk.

Mijn twee oudste broers Crelis (1931-2020) en Hein (1935-1996) waren eveneens IJsselmeervissers. Mijn vader kocht in 1936, gelijk met een aantal andere Volendammers, bij scheepswerf C. Amels te Makkum een ijzeren botter. Het type was een ,rondkop’ dan wel ,spekbak’. In die tijd was er bijna geen mogelijkheid om geld van een bank te lenen. Van de Staat kreeg men een krediet van maximaal f. 1500,--- als men aan bepaalde voorwaarden van solvabiliteit en vakmanschap voldeed.

Daarnaast dient te worden vermeld dat de vissers veel dank verschuldigd waren aan Jan en Evert Schokker, de zeilenmakers. Deze mannen verstrekten aan de vissers leverancierskrediet. De vissers hadden o.a. zeilen, touwwerk en blokken (een soort van katrol) nodig teneinde hun vak te kunnen uitoefenen. Het was een kwestie van wederzijds vertrouwen dat nooit is beschaamd.

Mijn vader en veel van zijn collega’s hadden het geluk dat zij die leningen snel kon terugbetalen omdat er in het begin van de Tweede Wereldoorlog in 1940 veel geld in omloop was. Er was sprake van een sterke inflatie. Dat wil zeggen: Het geld werd veel minder waard en de goederen werden veel duurder. Ook voor de vis werd veel meer betaald. In 1936 was de prijs van een pond aal f. 0,06 of f. 0,07 cent. In 1940 werden er maximumprijzen vastgesteld van f. 0,34 f. 0,37 tot f. 0,51. Dit was afhankelijk van het gewicht van de aal. Paling van een pond en zwaarder bracht in die tijd wel f. 1,75 per pond op. 

Er waren echter ook vissers, leeftijdgenoten, die niet in aanmerking kwamen voor een dergelijk Staatskrediet. Zij konden dan of een kleiner schip of helemaal geen schip kopen.  Maar let wel: Met een klein schip was je kwetsbaar en beperkt in je mogelijkheden. Je kon veel minder risico nemen. Maar zwaarwegender was het feit dat je niet overal kon vissen waar je wilde. De collega vissers, met een groter schip en sterker motor, konden dat wel en verdienden dan ook vaak een betere boterham. Die schepen voeren ook sneller en waren stabieler. Want die grote zee waarschuwt nooit. En wat kon en kan die zee woest zijn. 
 

Verschillende soorten visserij.

In Volendam waren er IJsselmeervissers met verschillende soorten van visserij en verschillende vistechnieken. Er waren, op zijn Volendams gezegd, dwarskulers, korders en toekers. (Het Nederlandse woord is: dwarskuiler). De kuilers en korders visten met een net. De toekers visten met haken.` Deze drie vormen van visserij waren  seizoensgebonden. Van medio april tot medio oktober van elk jaar. 
Later kwam daar de fuikenvisserij bij. Van betrekkelijke korte duur is de kistjesvisserij geweest. Mijn broer Kees (1941) was daar de initiatiefnemer van. Die was in 1975 de eerste leverancier in Volendam die deze kistjes zelf voor de vissers vervaardigde en leverde.

 

 

 


Botter VD 78 (dwarskuiler) met enkele vrouwen in dracht op de plecht op voorgrond. 

Dwarskuiler

Deze vorm van visserij werd voornamelijk met botters op de Zuiderzee uitgeoefend. De ene kant van de kuil is verbonden met het voorschip, de andere kant met het achterschip. Daar men echter met slechts één schip viste en de wind alleen kon gebruiken voor het verlijeren (de wind beweegt het schip opzij richting de lijzijde) werden er echter geen grote vangsten gemaakt.

Korders

Hier werd gevist met een zogenaamde kornet een zakvormig visnet, dat men over de bodem voortsleept en dat aan de voorzijde door een korboom of korstok opengehouden wordt. 

Toekers

Veelal volendammers viste met toeken of hoekwant (vistuig bestaande uit een combinatie van lijnen met haken). Ze werden toekers genoemd. 
Aan een verticale lijn van een vadem, dat is 1.80 meter, zat een haak. Aan die haak werd spiering als aas geprikt. Zodanig dat de haak voor de vis niet meer was te zien. De wijze waarop de spiering door de haak werd gehaald, vereiste een grote mate van vakmanschap en behendigheid. Een toeker maakte hele lange werkdagen. Normaal was ’s morgens 3.00 uur tot ’s avonds 18.00 of 19.00 uur! Men mocht pas naar huis als het netjes sorteren van de beug klaar was. De dagindeling was als volgt. Opstomen naar het visgebied. Dat duurde meestal een of twee uur. De keuze van het visgebied werd door de vissers bepaald naar gelang de windrichting, de temperatuur en de tijd van het jaar.  Maar dat niet alleen. Ook de diepte van het water werd bepaald door in het water te steken met een lange paal. Het ging er ook om te voelen hoe de grond van de bodem van de zee was. Op harde grond of een diepe zee, bijv. in de vaargeul, ving je geen aal. De grond, de bodem van de zee, moest dus rul zijn. Het kwam wel eens voor dat je een hele dag moest steken. Bleek dan dat de grond in dat gebied overal hard was, kon je beter verstrekken naar een ander visgebied. Maar ook dat was niet altijd gemakkelijk. Het uitzetten van de beug door de toekers kon alleen in die visgebieden geschieden waar de korders en dwarskulers niet mochten vissen. Men noemde dat ,verboden water’. Als je daar geen rekening mee hield, kon het gebeuren dat deze korders of dwarskulers jouw hele beug van kilometers lang met hun netten wegtrokken. Er werd in die tijd geen logboek bijgehouden. Alles ging uit het hoofd. 

Vaak werd er in de nacht op zee gevaren en gevist. Belangrijke bakens voor de vissers waren de vuurtorens. De vuurtorens van bijv. Marken, Urk en Harderwijk werden door de  vissers, op grond van hun ervaring, direct herkend. Wanneer de visser in de nacht bij het visgebied was aangekomen, was de eerst activiteit kulen met een net om aas te vangen. Wanneer de werkzaamheden gunstig verliepen en de gevangen hoeveelheid aas voldoende was, duurde dat ongeveer een half uur . Voor het vangen van aas ging het voornamelijk om spiering. Dan de beug over boord zetten in zee. (De Volendammers noemden dat ,de beug schieten en ,aizen’. Dat schieten en gelijktijdig aizen kon, afhankelijk van het aantal spleten die werden uitgezet, wel zes tot acht uur duren. Dat wil zeggen: Het want dat netjes op een spleetbak gesorteerd lag, met de hand van een verticaal staande spleetstok afhalen, de  spiering vakkundig, behendig en supersnel door de vishaak halen. Vervolgens te water gooien. Dat gebeurt terwijl de botter met een snelheid van 7 tot 10 kilometer per uur aan  het varen is, ongeacht het weer. Slecht weer, guur weer, regen of wind, de hele tijd staan, het werk moest doorgaan. De lange lijn liep uit zichzelf het zeewater in. Zelf moest je de haak van de spleetstok lichten en met een grote mate van vakmanschap en behendigheid er een spiering aan doen. Als de vishaak voor de paling enigszins zichtbaar was, beet de vis niet. Dat was de voornaamste reden waarom de vissers zo vroeg uit hun bed moesten. In de duisternis en bij troebel water was die haak voor de paling niet of  minder goed zichtbaar. Het ging er immers om die vis te vangen. Het werken moest doorgaan. Met een puffende motor (tjoeke, tjoeke, tjoek) en een sterke spieringlucht aan  boord.

Het azen, het vangen van spiering voor de paling, geschiedde vroeger vaak met een span van twee botters. Er werd gevist met een net tussen de twee botters in. Mijn vader viste met zijn VD 96 samen met  Jan Kwakman (Jan Pule) van de VD 35. De verstandhouding was altijd erg goed. Doch op grond van ervaring van mijn vader en mijn broers, bleek dat  het qua resultaat veel beter was wanneer elke schipper voor zichzelf op aas viste. Dus met één botter. De andere vissers namen deze werkwijze over. Dit pakte voor iedereen  goed uit. ,Ieder voor zich en God voor ons allen’, zei men dan.

De vishaak zit om de drie meter aan een lange lijn die verticaal in het water wordt gegooid. Voor een dagschot was de visserman ongeveer drie uur met werkzaamheden bezig. Bij een dagschot werd ’s morgens geschoten en direct daarna, wanneer de hele beug was uitgezet, gehaald. Dan gingen de vissers ’s avonds naar huis om thuis te eten en te slapen. Als er een beug voor twee dagen werd neergezet, duurde dat zes uur. Dat noemde men een nachtschot. Dan aten de vissers aan boord en sliepen zij in de kooi. Als een nachtschot werd gedaan, was die lijn wel 2 x 20 is 40 kilometer lang. Bij een nachtschot werd de ene dag geschoten en de volgende dag weer gehaald. De horizontale lijn was voor een dagschot wel 20 kilometer lang. De lijn was voor twee dagen wel 40 kilometer lang. Bij het eerste en laatste deel van de beug wordt een bakenstok bevestigd. Aan  het VD nummer op de bakenstok was te zien, van welke visser deze beug is.

De bovengenoemde werkzaamheden moesten altijd staande worden uitgevoerd, achter elkaar, zonder pauze, ongeacht het weer. Regen, hagel, wind of geen wind. Als dan de beug was uitgezet, moest deze weer worden ingehaald. De Volendammers noemden dat ,de beug halen’. Dan werd weer terug gevaren naar het begin van de visserij van die  dag of de vorige dag. Dan moesten de uitgezette horizontale lijnen met om de drie meter een verticale lijn weer worden ingehaald. En dan maar hopen dat er een paling aan de  haak zit. Dit waren voor de vissers altijd momenten van spanning. De ene keer was immers beter dan de andere keer. En je moest altijd maar afwachten wat de zee gaf. Mijn vader zei daarom wel eens: "Als het vissen was een kunst, ik zou het mijn kinderen leren maar het vissen is een gunst. Een zegen van de Here". 
Met een varende en schommelende botter werd de gevangen aal met meestal de vishaak in zijn bek zeer snel in een aalketel, en daarna in het ruim geworpen. De vishaak werd met een mesje van het touw losgesneden. Het want werd, in hoog tempo, zo netjes als dat maar mogelijk was op een hoopje gesorteerd.

 

Fuikenvisserij

Hier werde gevist met zg. fuiken. Bestaande uit een rond hoepels gespannen toelopend net waarin zich trechtervormige delen, de inkels, bevinden en eindigend in een soort van dichtgesnoerde zak, de kruik. Vaak voorzien van uitstaande vleugelnetten aan de eerste hoepel.

 

Kistenvisserij

Hier werd gevist met zg, aalkistjes. Dit zijn langwerpig houten kist(je) met open uiteinden waarin inkels (trechtervormig visnetje die het terug zwemmen beletten) aangebracht zijn. 

 

 

 

 

Vissers moesten aan boord heel hard werken en vakkundig zijn.

Mijn broers Crelis en Hein hebben vanaf hun jeugd tot het midden van de jaren negentig als IJsselmeervissers gewerkt. Van 1963 tot 1993 hebben ze met elkaar als zelfstandige IJsselmeervissers gevaren. Op uitdrukkelijk advies van Crelis gingen mijn broers midden in de winter, op 15 januari 1975 aan het toeken. Hij werd door de andere vissers voor 'gek’ uitgemaakt,  want dit was nog nooit in de geschiedenis gebeurd. Maar waarom ging Crelis hiertoe over?  Wel, hij zag in de snoekbaarsnetten dat de spiering aangevreten was door de paling. Dat impliceert dat de paling die spiering opeet. Dan zit de paling niet meer in de grond. In die dagen, midden in de winter, haalden mijn broers met toeken  een zeer grote hoeveelheid aal binnen. De hele visserij stond op zijn kop. Iedereen wilde zien en horen hoe dat mogelijk was geweest. Het was voor deze vissers en voor iedereen aan de haven een ware belevenis.

 

Het was altijd werken onder primitieve omstandigheden in een hoog tempo.

Als de beug was ingehaald stoomde men zo gauw mogelijk naar de haven toe om de vis te lossen. Bij erg warm weer moesten de vissers buiten de haven blijven om te voorkomen dat de gevangen paling in het ruim dood zou gaan. Wanneer de visafslag dan geopend was, ging men direct naar binnen om de vis via de visafslag te koop aan te bieden. Twee of drie vissers liepen dan met een of twee aalketels met vis over de botters en via de trap, van onderaan de dijk naar de dijk, naar de visafslag.
Vervolgens waren de vissers in de haven nog uren aan het werk om het want weer netjes te sorteren. Dat hield het volgende in. Het want waarmee was gevist, moest worden schoongemaakt. Nieuwe vishaken moesten worden aangebracht en opnieuw op de spleetstokken gezet. De volgende dag zouden deze werkzaamheden zich weer herhalen. En dat zes dagen per week. Op zaterdag werd er tot ongeveer 15.00 uur gewerkt. Er waren in de zestiger jaren van de vorige eeuw ook vissers die op zaterdag tot 20.00 uur doorgingen. Wij noemen o.a. Gerrit Schilder (Gerritje Snert) van de VD 53,  Dirk de Boer (Dirk Hanekaan) van de VD 79 en Dirk Plat. (Dirk van Dibbes) van de VD 45.
De vissers hadden een hoge arbeidsethos en een groot verantwoordelijkheidsbesef jegens hun (in vrijwel alle gevallen) grote gezinnen.
Een deel van het viswant (de spleten zoals wij die noemden) werd door thuiswerkers en gepensioneerden, die iets wilden bijverdienen, thuis gesorteerd. Maar ook die ontwikkeling stond niet stil. Sinds de jaren zeventig van de vorige eeuw werden de gebruikte spleten, het hoekwant, weggegooid. Mensen aan de wal, maakten kant en klare nieuwe spleten voor de schippers. Mijn vader heeft dat met een enorme discipline tot zijn 84e jaar gedaan. Elke dag maakte hij wel drie spleten op een dag. En dat zes dagen per week. 
Klaas Mol, bijgenaamd Klaas van de Kompik was schipper op de VD 34. Klaas had een stalen motorkotter en was korder. Over zijn collega toekers zei hij: ,Een toeker wordt niet oud’.  Hij wilde er mee zeggen: Zo zwaar en arbeidsintensief is de uitoefening van dat beroep. Uit verhalen van vissers die zelf jarenlang hebben gevaren en op films die in die jaren aan boord van schepen werden gemaakt, is onweerlegbaar te zien dat het toeken een ongekend arbeidsintensieve bezigheid was. Met weer en wind hele lange werkdagen en zeer onregelmatige werktijden. Als gevolg daarvan ook ongewisse uren van eten en slapen. Aan de haven hoorde men niet zelden zeggen: ,Als een toeker van baan verandert, kan hij er alleen maar beter van worden’. En dat was ook zo.

 

In gesprek met een oud-visser over dit onderwerp.

Over genoemd onderwerp sprak ik hierover met Jaap de Boer die inmiddels 87 jaar is en twaalf jaar heeft gevaren. Ook hij heeft ervaren en erkende dat het een hard bestaan was. Hij noemde o.a.: Gedurende de dag was er van zitten of even rusten of pauzeren geen sprake. Het werken ging gedurende de hele dag door. 
Als de beug volledig was geschoten stoomden de vissers weer terug naar het eerste baken om de spleten van de hoekwant visserij weer op te halen. Dat was afhankelijk van vele factoren: De wind, de windsterkte en de windrichting. Maar ook temperatuur was van belang. De hoekwantvisserij was seizoenvisserij en duurde van half april tot eind september. 
In deze branche wisten de meer actieve en/of betere vissers zich te onderscheiden van hun collega’s. Vissers met een stalen motorkotter en een sterk motorvermogen konden meer spleten schieten dan hun collega’s met een kleinere botter met een geringer motorvermogen. Dat scheelt natuurlijk in de verdiensten.

 

Een baan in de winterperiode.

De meeste vissers zochten dan een baan voor de winterperiode. In het vinden van een nieuwe, tijdelijke baan waren de vissers niet kieskeurig. De een koos voor de visrokerij of Noordzeevisserij. De ander koos voor de fabriek of de bouw. Zelfs bij het Amsterdamse IJ, voor het bouwen van de IJ tunnel en ga zo maar door. Als er maar wat te verdienen was.

 

Zwemmen.

De meeste vissers waren de zwemkunst niet machtig Veel van de vissers konden niet zwemmen en u begrijpt dat dit gemis levensgevaarlijk was. Er zijn dan ook heel veel vissers verdronken. Jaap de Boer, schipper van de VD 98 kon goed zwemmen. Ook mijn vader, Jan van de Knoest, schipper van de VD 96, en mijn broer Hein konden goed zwemmen. Maar vele andere vissers en schippers niet.

 

Comfort.

Er was weinig tot geen comfort aan boord. Alleen het hoogst noodzakelijke. Ook de hygiënische omstandigheden lieten nog wel eens te wensen over. Er was geen w.c. aan  boord. Er was evenmin een kraan of geijser aan boord. Met een akertje haalde met water uit een watertank, die in het vooronder bevestigd zat. Er was in het vooronder een  kacheltje, een ,vuurduvel’, aan boord waarop het eten werd gekookt. Er was geen mogelijkheid om je handen in warm water te wassen. Zeep was er evenmin. Een normale handeling zoals bijv. aan boord de tanden poetsen was een onmogelijkheid. Er was geen koelkast aan boord. Het was altijd maar staan. Er was slechts een uitzondering:  De vissers zorgden wel voor lekker eten. Dat maakten zij zelf aan boord klaar.

 

Aankoop van vissersschepen.

De volgende Volendammer vissers kochten in de jaren dertig van de vorige eeuw een botter bij de scheepswerf C. Amels te Makkum :

1936: VD 93 “Anna Elisabeth” Klaas Schilder (Koles);
1936: VD 96 “Clemens” Jan Tol (Jan van de Knoest);
1936: VD 98 “Maria” Jan van Vlaanderen (Jan Fladder);
1937: VD 115 “Bokkie” Cornelis Tuip (Kees van Bokkie);
1937: VD 150 “Maria” Jan Kras (Jan Bessie);
1937: VD 214 “De Jonge Jan” Jacob Bond (de ouwe Reus);
1937: VD 236 “Huberta” Jan Kroon (Jan Kloot).

Bij scheepswerf Van Goor te Monnickendam kochten de volgende Volendammer vissers een schip :

1936: VD 8 “Catharina” Jacob Schilder (Japie van Frerik);
1936: VD 44 “Maria” Evert/Jan Tuijp (de Potters);
1936: VD 71 “Princes Beatrix” Klaas Tuip (Klasie Okke);
1936: VD 88 “Elisabeth” Cornelis Schilder (Kees van Frerik);
1936: VD 103 “De 2 Gebroeders” Jacob Tol (Japie van kleine Sijmen);
1937: VD 114 “Anna Cornelia” Evert Smit (Evert van Maartje);
1937: VD 132 “De 7 Gebroeders” Cornelis Zwarthoed (de Beer);
1937: VD 168 “Maria” Jacob Tol (klein Jaap van de Knoest);
1937: VD 203 “Elisabeth” Jan Tol (Kamperbroodje);
1938: VD 35 “Alida Christina” Cornelis de Boer (Keesie Hanekaan);
1939: VD 38 “De zuster Trijntje” Cornelis Veerman (de Poes);
1946: VD 65 “Stella Maris” Pieter Schilder (Loege).

Bij scheepswerf Wed. Hermanus Groot te Edam kochten de volgende Volendammer vissers een schip :

1936: VD 45 “Huberta” Dirk Plat (Dirk van Dibbes);
1936: VD 219 “Nooit Gedacht” Klaas Smit (Klaas van Gerrit van Diene).

Bij scheepswerf S. van der Werff te Bolsward kocht de volgende Volendammer visser een schip :

1937: VD 134 “Geertje” Pieter Veerman (Pietje Potdome).

 

Vissen met slecht weer, zelfstandig opgroeien.

Mijn broer Crelis vertelde de volgende gebeurtenis:  "Op een dag, in 1952, waren wij met z’n drieën aan het vissen.  Mijn broer Hein, Henk Klouwer (1933-1982, de Kaper), onze vroegere buurjongen, en ik. Vader was deze keer niet mee. Hij gaf er de voorkeur aan eens een vrije dag te nemen. Dat was in de visserij in die dagen niet uniek. De vissers  wilden hiermee laten zien hoe zij hun jongens (hun zoons) het vak van visser hadden geleerd. Ook zijn zoons zouden het eens wel redden, zo redeneerde hij. Wij waren aan het  korren.
Maar wat was het geval. De wind wakkerde aan en het weer verslechterde zienderogen. Het begon te stormen. De zee kan dan heel ruw en gevaarlijk zijn. De Kaper was zo bang als een wezel, maar dat verder terzijde. Mijn moeder boos op vader omdat hij, naar haar gevoel, zijn jongens in de steek had gelaten. Vader kneep hem. Gelukkig liep het allemaal goed af. Wij kwamen met een botter vol vis de haven in. Vader dankbaar en weer zo trots als een pauw’. Mijn broers waren toen 17 en 20 jaar oud. Daarna is vader  altijd mee geweest. 
Jan de Boer, bijgenaamd Jan Hanekaan, was schipper van de VD 87. Als zijn collega vissers gemiddeld 40 spleten overboord zetten, zette hij er 60 overboord. Jan Hanekaan was een hele fanatieke visser. Dat wil zeggen: Met zijn zonen Kees en Jan hard werken, lange dagen maken en blijk geven van vakmanschap.
Dirk de Boer, bijgenaamd Dirk Hanekaan, was schipper van de VD 79.  Voor hem golden dezelfde kwalificaties.

 

Vis gratis weggeven.

Als de vissers de haven kwamen binnen varen, stonden er altijd wel mensen aan de wal die belangstellend waren. Maar nog meer personen die dan graag vis voor niets wilden krijgen. Dat viel bij sommige vissers, die dan een hele dag of week hard hadden gewerkt, niet altijd in goede aarde. "Denk niet dat het altijd zo leuk was, als de botter dan  ongevraagd vol liep met allerlei personen", zo vertrouwde een visserman mij toe. Als dan een jongere visser bijv. niet onmiddellijk op het verzoek van een buurman of een oude collega van je vader inging met de vraag om gratis vis, nou dan was het commentaar niet van de lucht. Wat dat betreft was er van die andere kant weinig begrip. De lieden aan de wal, dachten dat de vissers de vis voor niets hadden gekregen.

 

De aarde rond.

De omtrek van de aard is 40.000 kilometer. Er zijn talloze vissers die met want schieten en halen verscheidene keren de omtrek van de aarde hebben gevaren. Het viswant van een toeker werd met de hand binnengehaald. 

 

Slijmbeursontsteking.

Er waren ook wel vrouwen die hun echtgenoot hielpen met het maken van spleten. Ik ken vrouwen die er na een paar jaar mee moesten stoppen omdat ze een  slijmbeursontsteking in de schouders kregen. Van mijn vader of mijn broers heb ik zoiets nooit gehoord.

 

Te water.

Op een dag in juli in 1947 viste mijn vader met zijn botter in de omgeving van Enkhuizen. Wat was het geval. Een net in de schroef. Dat was nog eens pech hebben. Goede raad was duur. Elke mogelijkheid die met ome Hein werd besproken gaf allerlei problemen van financiële en praktische aard. Op een zeker moment nam vader een kordaat besluit. Hij zei: ,Ik ga te water’. Hij ontkleedde zich geheel. Hij pakte een mes en haalde diep adem. Hij sprong over boord naar de schroef. Daar gelukte het hem het net van de schroef los te snijden, zodat het schip weer kon varen. Zie zo, dat is weer gedaan, zij hij dan. Ome Hein zei niets. Ze gingen weer gewoon verder met hun werk en gingen over tot de orde van de dag.
 

Een dagje recreatief op zee.

Ik heb wel eens een dag meegevaren op een jacht van een kennis van ons. Wij zeilden met prachtig mooi weer richting Harderwijk. In die uren heb ik vaak aan mijn vader en mijn twee broers Crelis en Hein moeten denken. Zij moesten hard werken. Zij konden geen ogenblik gaan zitten. En dan te bedenken dat zij ook wel eens dagen hebben meegemaakt dat er zo’n storm opstak dat zij echt moesten vrezen voor hun leven. Immers hoe vaak was het al niet voorgekomen, dat schepen vergingen en de vissers  jammerlijk moesten verdrinken. 
Volendam had de grootste vissersvloot van alle plaatsen rondom de Zuiderzee. Rond 1900 was Volendam een echt vissersdorp. Er waren wel 300 botters en de visserij was voor Volendam veruit de voornaamste bron van inkomsten. 
 

Een assertieve knecht aan boord.

De schippers waren de bazen. Dat bleek uit alles. Ik zal een voorbeeld geven waarvan we nu zeggen: Dat was niet juist. Als de visserij slecht was, dus als de verdiensten  minimaal waren, kregen de knechten een aandeel in de besomming. Doch als de visserij goed was, kregen de knechten een vast loon. Het gevolg van deze regeling was dat de knecht altijd de pineut was.
U zult begrijpen dat dit geen stand kon houden. Wat gebeurde er?  We spreken van zo rond het jaar 1900. Op een zeker moment, nog in de slechte tijd, liepen de netten  onverwachts vol met ansjovis. Daarvan zei mijn vader altijd: ,Als visserman kon je nooit inschatten of en wanneer er ansjovis in de netten werden gevangen. Dat was altijd  onverwacht. Maar als het gebeurde, dan zat je goed’. Ook in onderstaand voorbeeld was er sprake van een goede visserij met hoge inkomsten.
De schipper lag op een bepaald moment in de kooi te slapen en de knecht die dit bemerkte hield bij het roer de wacht op het schip. Na een onverwacht goede visvangst geconstateerd te hebben, riep de knecht de schipper en haalde hem uit zijn slaap. De knecht vertelde hetgeen er volgens hem gebeurde. De schipper was in zijn nopjes. Volgens vaste gewoonte zou de knecht nu naar een vast loon zijn gaan. Maar dat accepteerde deze knecht, een jonge sterke vakkundige visser, niet. Hij zei tegen de schipper. ,Als ik nu geen aandeel in deze hoge besomming krijg, haal jij de netten zelf maar in’. De knecht en de schipper begrepen heel goed dat het binnenhalen van de zware, volle, netten voor de schipper alleen een onmogelijke opgave zou blijken te zijn. De schipper sputterde nog wel wat tegen, maar hij moest uiteindelijk het voorstel accepteren. De schipper ging akkoord met een aandeel in de besomming voor zijn knecht. Na dit voorval veranderde de inkomstenverhouding tussen de schippers en hun personeel definitief. De personeelsleden kregen in het vervolg altijd een aandeel in de besomming, zowel bij goede als bij slechte tijden. Dat was duidelijk en werkte naar volle tevredenheid voor beide partijen.

Beroepsgeheim

Een knecht die het niet begreep was Hein Pooijer (later Mooijer, bijgenaamd Hein van de Knar) die woonde aan de Schippersgracht 5.  HIj ving als enige visser zowel veel bot als garnalen in zijn netten. Dat had hem geen windeieren gelegd. De andere vissers begrepen er niets van hoe dat mogelijk was. Totdat zijn knecht het beroepsgeheim aan anderen vertelde. Hein was een belezen man met een goed verstand. Zo af en toe kwam hij bij ons thuis voor een praatje.